Saskia Kunst   |  home  |  biografie  |  boeken  |  artikelen  |  contact  |  fotografie stichtingzanskar.nl
home artikelen Zie, een warm hart dat krachtig klopt
Zie, een warm hart dat krachtig klopt.
Dhondup Gyal 1953-1985.
(noot 1)

Vanaf een kleine zwart wit foto kijkt hij me aan, Dhondup Gyal. Ovaal gezicht, ronde kaak, grote neus. Jong. Zijn volle mond plooit zich spottend en achter zijn zwartgerande bril kijken ogen die het vermogen hebben te schitteren. Hij draagt een coltrui onder een Tibetaans jasje.
Een man met expressieve handen, die zijn passie voor taal kracht bijzetten met gebaren, zijn liefde voor vrouwen gestalte geven in strelingen. Onstuimiger als hij gedronken heeft, tomeloos wanneer hartstocht, drank en taal vervloeien tot poëzie. In hem huist de drang tot verandering, tegen elke gemoedsrust in. Een dichter met de droefheid van een gevangene, die het traditioneel gedicteerde verlangen naar geweldloosheid niet kan rijmen met de eigentijdse woede die hem omgeeft, gedoemd tot bewegingloosheid, bekneld tussen het nieuwe en het oude. Een hofnar die geen enkele partij spaart, die handelt, denkt en voelt volgens eigen normen, zonder acht te slaan op lange tenen en gevoeligheden. Die waarschuwingen in de wind slaat tot de storm niet meer te bedaren is.
Een strijder die huilt om zijn eigen lafheid zonder dat iemand het ziet.
Een man die tenslotte zijn beminde laat vertrekken, hun kind aan de hand, omdat hij weet dat in elk tegenhouden een leugen leeft. Op 30 november 1985 sterft hij door koolmonoxidevergiftiging. Er is een afscheidsbrief. Hij is 32 jaar.

Geboren in Amdo in 1953, behoort Dhondup Gyal tot de eerste generatie Tibetanen die zou hebben moeten profiteren van de 'bevrijding' door de Chinezen, verlost van het juk van horigheid, van het feodale systeem, de allesoverheersende religiositeit van het Oude Tibet.
Zijn opleiding stagneert door de Grote Proletarische Culturele Revolutie. Op jonge leeftijd wordt hij geconfronteerd met de monsterlijkheid van opgedrongen verandering, vernedering en vernietiging. Hij ziet de macht van het aantal, het effect van de druk van de massa, hoe makkelijk men zwicht. Hij registreert de onverzettelijkheid van enkelen, het toenemen van de druk. Het buigen dat zo veel op barsten lijkt. Overal om hem heen is een groot sterven aan de gang.
Elke positieve verwijzing naar een Tibetaanse identiteit is uit den boze, taal, kleding, rituelen en andere religieuze uitingen behoren tot de verderfelijke erfenis van een achterlijke samenleving. Tibetaans zijn kan alleen nog achter gesloten deuren, als goed bewaard geheim.
De dood van Mao en de val van de Bende van Vier brengen verlichting in het Moederland, en ook in Tibet. Niet alles wat Tibetaans is hoeft meer verguisd te worden, chuba's komen terug in het straatbeeld, Khampa's dragen weer rode tressen in hun haar, de geur van jeneverbeswierook hangt boven de ruines. Door de nieuwe toegeeflijkheid van de autoriteiten krijgen religieuze uitingen meer ruimte, en de literatuur leeft op, zij het dat de vrijheid van creativiteit aan banden wordt gelegd in door de partij opgelegde kaders.
Sommige Tibetaanse schrijvers bedienen zich van de taal van de kolonisator, de taal waarin ze onderwijs genoten, gevormd zijn, waarmee ze een reservoir aan potentiële lezers aanboren. Dhondup kiest voor het Tibetaans. Hij wil zich uitdrukken in zijn eigen woordenschat, gegroeid uit de band tussen het land en zijn bewoners, in een eigen taal die schreeuwt op de wind op een hoge pas, fluistert in de luwte van de vallei, zingt uit de beekjes, schaterlacht door het schuim van de waterval. De klank van Tibet is Tibetaans, de uitdaging zit hem in het vinden van een tongval voor verandering, een eigen toon voor het bewegen in de richting van een nieuwe tijd.
Dhondup schrijft verhalen en gedichten over knellende tradities, die bekrompenheid overdragen van generatie op generatie. Over een grenzenstellend geloof, dat elke vrijheid van denken beperkt. Over de drang van passie en de noodzaak liefde uit te leven zonder de druk van alledaagse benepenheid, niet ondergeschikt aan hoe het hoort, ten koste van geluk.
Over de onvermijdelijkheid van verandering.
Hij schrijft over mensen die zichzelf alleen zullen vinden als ze inzien dat gisteren voorbij is, en dat morgen frisser water voorhanden zal zijn om nieuwe dorst te lessen.
Hij publiceert, deels onder het pseudoniem Rangdröl (Zelfbevrijding), in het literaire tijdschrift 'Zachte Regen', dat in Amdo wordt uitgegeven en een toonaangevende rol speelt in het debat over identiteit dat vanaf 1980 in Tibet losbarst. De titel van het tijschrift drukt de hoop en voorzichtigheid uit van fijne druppels hemelwater die de kwetsbare scheuten van de nieuwe expressie aansporen tot groeien, maar wel in een voor alle partijen aanvaardbaar tempo.
Dhondup's verhalen geven aanleiding tot controverse.
Zijn gedichten strijken de Chinese overheid tegen de haren, vanwege hun krachtige pleidooi voor een eigen, Tibetaanse identiteit. Hij schrijft niet alleen in zijn moedertaal, hij spoort zijn landgenoten aan om zich als Tibetanen te ontwikkelen, wortelend in de traditie, en tegelijk open gericht op de mogelijkheden die de toekomst bieden kan. In een lang gedicht over de kracht van de jeugd breekt hij een lans voor verandering die voortbouwt op het unieke van Tibet. Hij waarschuwt voor stilstand, die niet alleen kwetsbaar maakt, maar ook afstompt.
In de ogen van zijn behoudender landgenoten is dit collaboratie. Dhondup had het ongeluk een revolutionair elan te bezitten in een periode waarin dat bij veel van zijn volksgenoten niet werd gezien als een positieve eigenschap van een intelligente, getalenteerde, gedreven jonge man. Het was verdacht, het leek op heulen met de vijand. Het was spugen in de eigen pap.
Na het verschijnen van een verhaal over een gereïncarneerde lama die bij nader inzien een bedrieger blijkt te zijn, wordt hij zelfs met de dood bedreigd. Boze lezers zien het als een aanklacht tegen het boeddhisme, als onversneden pro-Chinese propaganda. De vertelling kan echter ook gelezen worden als allegorie waarbij blind geloof in de lama staat voor ongefundeerd vertrouwen in elke ideologie, ook het socialisme Chinese-stijl. In beide gevallen is het een pleidooi voor onafhankelijk denken. Voor vertrouwen op eigen onderzoek, op eigen intellect.
Een modern verhaal van een jonge schrijver die zoekt naar een voor iedereen begaanbare weg.

In 1984 wordt Dhondup overgeplaatst. Zijn docentschap Tibetaanse taal en geschiedenis aan het Instituut voor Nationaliteiten in Beijing moet hij verruilen voor een leraarspost aan de Nationalities Teachers' Training School in Chab cha, Qinghai. Hij meent dat hij met opzet wordt weggezet in het achterland, ver van het centrum van de culturele discussie, verstoken van iedere intellectuele stimulans. Hij voelt zich miskend en lijdt onder het gebrek aan waardering voor zijn talent. Zijn oude liefde voor drank cultiveert hij met nieuwe passie. Zijn verlangen naar erkenning projecteert hij op vrouwen, die makkelijker te veroveren zijn dan een lezerspubliek, en minder van hem vergen dan zijn talent.
Het maakt hem niet geliefder bij zijn criticasters.
In juli van het jaar 1985 zit Dhondup met een stel vrienden in een café. Ze drinken chang, chinees bier, arak, wat voor handen is. Ze praten over literatuur, zoals ze altijd doen, en over de dromen die net als de jaren van hun jeugd voorbijglijden. Ongrijpbaar. Over verwachtingen en wat nog komen kan nu de eerste beloften zijn ingelost of zijn weggevoerd door de tijd. De vrienden weten dat Dhondup graag onder het genot van een glas uit de losse hand gedichten componeert, reikhalzend naar de vergetelheid die komen zal. Ze sporen hem aan. Hij improviseert een lang gedicht, uitgesproken en direct, zoals al zijn kroegpoëzie, alleen bedoeld voor vrienden.
Deze keer blijft het vers niet binnenskamers, het vindt zijn weg naar de redactie van het literaire tijdschrift 'Volkskunst van het blauwe meer'. De autoriteiten krijgen er lucht van, vinden het subversief, bestempelen het als het werk van een separatist.

Het wordt november. Op een koude dag sluit Dhundup zijn klaslokaal af en loopt naar huis. Hij gaat zitten in de lege keuken, leunt tegen de muur en sluit zijn ogen. In zijn hoofd hoort hij al de plots remmende auto, de half rennende stappen, het stampen op de bevroren aarde, vuisten die bonken op zijn deur. Hij staat op en schenkt zich een glas in. Hij hoort zijn kind huilen in de wind die aan zijn huis trekt, herkent de bange machteloosheid die erin klinkt. Hij voorziet het verpletterend mechanisme van constante vernedering, het regime in de strafkampen. Nooit mogen schrijven, niet mogen denken. Het stigma van de gebrekkige, die niet voldaan heeft. Het onontkoombare publicatieverbod. Hij vreest voor een leven dat voorbij is maar toch doorgaat en doorgaat. Het verlangen naar verandering vervlogen in de leugens van de Nieuwe Tijd.
Hij heeft zijn vrouw verjaagd met woede, uit wanhoop. Zijn vrienden misleiden was eenvoudiger, zij zagen hem nooit met het hoofd in zijn handen. Hij schenkt zich opnieuw in, gaat weer zitten en schrijft een laatste brief. Behoedzaam draait hij dan de gaskraan open, leegt de fles in zijn glas, drinkt en wacht. De kou hindert hem niet meer.

Zie, een warm hart dat krachtig klopt. (noot 2)

Het is werkelijk moeilijk.
Het lijkt erop dat in deze sfeer van conservatisme
slechts kleine druppeltjes van de zachte regen van vooruitgang vallen
Toch, een nevel van hoop zal de lucht verzadigen
zij die zijn gegaan en zij die zijn gebleven
de mensen in Tibet en degenen in ballingschap
zij zullen in opstand komen.
Wanhoop niet,
jongelingen in het Land van Sneeuw
zonder de kracht van de creativiteit kunnen ook eerlijkheid en waarheid niet bestaan,
is de wet van oorzaak en gevolg een leugen.
Ik zie in mijn verbeelding een toekomst zoet als godennectar,
ik hoor al de klanken van een nieuwe tijd.
Dat is het warme hart dat klopt in mijn geest
dat levende hart,
klopt dat niet ook krachtig in jullie bewustzijn?

(noot 1) Basisgegevens voor deze korte schets zijn ontleend aan onder andere: Incomparable warriors: non violent resistance in contemporary Tibet, International Campaign for Tibet, 2005; Heather Stoddard, Don Grub Gyal 1953-1985, Suicide of a modern Tibetan writer and scholar, in: Tibetan Studies, volume 2, ed. Per Kvaerne, Oslo, 1994; Tsering Shakya, The waterfall and fragrant flowers: the development of Tibetan literature since 1950 // language, literature and representation in Tibet: the politics of language, z.j. en TIN special report, a tradition of intellectual dissent: Tibetan political prisoners in Qinghai province, July 1996.
(noot 2) Fragmenten uit het "kroeggedicht" van Dhondup Gyal, zeer vrij in proza gezet naar een Engelse versie in 'A blighted Flower and other stories, translate and compiled by Riika Virtanen, Library of Tibetan Works and archives, Dharamsala, 2000.


© Saskia Kunst - 'Tibet, tussen droom en daad,' Ashoka, oktober 2005.
home artikelen Zie, een warm hart dat krachtig klopt
copyright simon schagen & saskia kunst ©2017 (alle rechten voorbehouden) Disclaimer